20 mei 2008

Een menswaardig levenseinde is een fundamenteel recht

Een menswaardig levenseinde is een fundamenteel recht, waarbij ieder het recht heeft zijn of haar levenseinde te kunnen bepalen. De euthanasiewet van 2002 betekende een belangrijke stap in het garanderen van dat recht. Uit de gegevens van de Federale controle- en evaluatiecommissie euthanasie blijkt dat er wel degelijk nood was aan een wetgevend kader hierover.

Nu deze wet enkele jaren van kracht is, is het tijd voor evaluatie, aanvulling en bijsturing. Op basis van vele gesprekken met mensen uit verschillende sectoren die bij het levenseinde betrokken worden, werkten de Open Vld-senatoren Jean-Jacques De Gucht, Paul Wille, Patrick Vankrunkelsven en Martine Taelman voorstellen uit voor een ruimer kader waarbinnen euthanasie kan plaatsvinden. Bovendien schreven ze ook een resolutie die de regering oproept om meer aandacht te besteden aan palliatieve zorgen. Voor Open Vld is het immers gen of-of-verhaal, maar een en-en: palliatieve zorgen en euthanasie zijn geen concurrenten van elkaar.

Met hun voorstellen willen de Open Vld-senatoren het debat over het levenseinde verder openbreken. De voorstellen zijn niet te nemen of te laten. De senatoren willen in de Senaat de dialoog aangaan, in de hoop een meerderheid te vinden die zich achter deze – al dan niet gewijzigde - voorstellen kan scharen. Vanuit een oprechte bekommernis de baanbrekende euthanasiewet van 2002 te verbeteren, hopen ze hun collega’s in de Senaat te kunnen overtuigen.

Concreet leggen de Open Vld-senatoren vier wetsvoorstellen en een resolutie op tafel:

1. Wetsvoorstel euthanasie bij minderjarigen

In de huidige wetgeving worden minderjarigen volledig door de wet uitgesloten, met uitzondering van de ontvoogde minderjarigen. Dit laatste is op zich al absurd en toont meteen ook aan waarom een uitbreiding van de wet wenselijk is. Op ondragelijk lijden en ongeneselijke ziektes staat helaas geen leeftijd. De artificiële grens die nu wordt getrokken op 18 levensjaren staat in schril contrast met een onomkeerbare en pijnlijke gezondheidstoestand, die geen rekening houdt met leeftijden.

Met dit wetsvoorstel wil Open Vld ook euthanasie mogelijk maken bij minderjarigen. Bij dergelijke beslissingen mag de rol van de ouders niet onderschat worden. Ondanks hun onmiskenbare rol in het begeleidingsproces, moet de vraag om euthanasie steeds van de minderjarige zelf komen. Indien de minderjarige jonger dan 16 jaar is, hebben de ouders een medebeslissingsrecht, indien de patiënt ouder dan 16 is, hebben ze enkel een raadgevend adviesrecht.

2. Wetsvoorstel wilsbeschikking

In een wilsbeschikking kan iedere burger laten opnemen onder welke omstandigheden en in welke toestand hij of zij euthanasie wil krijgen. Aan dit uitgangsprincipe wordt niet geraakt, wel aan de duurtijd van een wilsbeschikking. De huidige wettelijke duurtijd bedraagt vijf jaar. In de praktijk kunnen als gevolg van de tijdsvereiste van vijf jaar onrechtvaardige situaties ontstaan waarbij iemand die een wilsverklaring heeft geschreven en bevestigd, net buiten de termijn van vijf jaar buiten bewustzijn valt, waardoor zijn verklaring ongeldig wordt.

Daarom wordt eerst en vooral voorgesteld dat een wilsverklaring een onbeperkte geldigheidsduur kent, maar te allen tijde kan herroepen en/of gewijzigd worden. Dit kan vergeleken worden met de geldigheidsduur van een testament.

Een tweede probleem met de wilsverklaring stelt zich op het vlak van de “bewustzijnstoestand”. De huidige wet spreekt in artikel 4, § 1, eerste lid, tweede streepje, en in § 2, eerste lid, tweede streepje, over « — hij niet meer bij bewustzijn is ». Op die manier is de wilsverklaring voor een groot deel een lege doos, want algemeen wordt aangenomen dat de betrokkene zich, volgens deze voorwaarde, moet bevinden in een comateuze toestand. Een groot deel van de mensen die een wilsverklaring hebben opgesteld, kunnen evenwel geen gebruik maken van die bepaling: ze zijn zich niet meer bewust, maar bevinden zich toch niet in een comateuze toestand en kunnen noch gebruik maken van artikel 3 van de euthanasiewet, noch van artikel 4.

Om hieraan een oplossing te bieden zal de wet voortaan spreken van “personen die zich in een persisterende vegetatieve toestand bevinden”.

3. Wetsvoorstel hulp bij zelfeuthanasie

Uit de artsenpraktijk blijkt dat ook de vraag naar zelfeuthanasie juridisch moet ingekaderd worden. Dit kan het best binnen de euthanasiewetgeving, immers het betreft patiënten die aan de voorwaarden voldoen om euthanasie aan te vragen maar liever zelf de daad stellen, zij het weliswaar onder begeleiding van een arts, die over alle zorgvuldigheidscriteria waakt en de patiënt bovendien de letale middelen ter beschikking stelt en de patiënt bijstaat tot de dood is ingetreden. Het grote verschil met euthanasie zit hem dus in het feit dat de patiënt hier zelf de daad volbrengt, niet de arts.

4. Wetsvoorstel doorverwijsplicht

In de huidige wetgeving staat duidelijk gestipuleerd in artikel 14 dat “geen arts gedwongen kan worden euthanasie toe te passen”. Het moet duidelijk zijn dat dit wetsvoorstel niet de bedoeling heeft hieraan ook maar iets te veranderen. Het valt immers perfect te begrijpen dat een arts omwille van levensbeschouwelijke of andere persoonlijke overtuigingen zelf verkiest geen euthanasie toe te passen bij zijn of haar patiënten. Die keuze moet gerespecteerd worden. Dit wat betreft de kant van de arts. Maar wat de patiënt betreft moet dan wel gesteld worden dat zijn of haar verzoek niet ingewilligd wordt, ook al bevindt de patiënt zich zowel juridisch als medisch in een situatie waarbij zijn of haar vraag om euthanasie gerechtvaardigd is.

Daarom voorziet het wetsvoorstel in een doorverwijsplicht naar een collega-arts, die wel bereid is om euthanasie uit te voeren binnen het wettelijk kader en vanuit een medisch verantwoord dossier.

Dit probleem stelt zich niet alleen bij artsen op individuele basis. De realiteit leert dat bepaalde ziekenhuizen verkiezen binnen hun muren geen euthanasie uit te voeren. Dit houdt een ontkenning in van het recht waarop een patiënt zich in een pijnlijke, onomkeerbare situatie zou kunnen beroepen.

Om een zo groot mogelijke waarborg te bieden, wil het wetsvoorstel ook enkele toevoegingen aanbrengen in het statuut van de eerste en/of tweede te raadplegen arts. De reeds bestaande voorwaarde van onafhankelijkheid blijft zonder meer behouden. Dit wordt nog aangevuld met de voorwaarde dat deze te raadplegen arts extern moet zijn ten aanzien van de geneeskundige instelling. Van de te raadplegen arts wordt vereist de patiënt bij te staan met juridische, geneeskundige en psychische hulp omtrent zijn of haar euthanasieaanvraag en hiertoe dient hij de nodige opleidingen genoten te hebben.

5. Resolutie palliatieve zorg

Omdat het belang van palliatieve zorg in dit debat niet verloren mag gaan, integendeel, willen we met deze resolutie aandacht vragen aan enkele huidige knelpunten omtrent deze intensieve en waardevolle vorm van stervensbegeleiding. Zo wordt er opgeroepen om initiatieven te nemen rond het nog beter bekend maken van palliatieve zorgen, de thuisgezondheidszorg in dit kader beter te ondersteunen alsook binnen de RVT’s en dagcentra.

Nu deze wet enkele jaren van kracht is, is het tijd voor evaluatie, aanvulling en bijsturing. Op basis van vele gesprekken met mensen uit verschillende sectoren die bij het levenseinde betrokken worden, werkten de Open Vld-senatoren Jean-Jacques De Gucht, Paul Wille, Patrick Vankrunkelsven en Martine Taelman voorstellen uit voor een ruimer kader waarbinnen euthanasie kan plaatsvinden. Bovendien schreven ze ook een resolutie die de regering oproept om meer aandacht te besteden aan palliatieve zorgen. Voor Open Vld is het immers gen of-of-verhaal, maar een en-en: palliatieve zorgen en euthanasie zijn geen concurrenten van elkaar.

Met hun voorstellen willen de Open Vld-senatoren het debat over het levenseinde verder openbreken. De voorstellen zijn niet te nemen of te laten. De senatoren willen in de Senaat de dialoog aangaan, in de hoop een meerderheid te vinden die zich achter deze – al dan niet gewijzigde - voorstellen kan scharen. Vanuit een oprechte bekommernis de baanbrekende euthanasiewet van 2002 te verbeteren, hopen ze hun collega’s in de Senaat te kunnen overtuigen.

Concreet leggen de Open Vld-senatoren vier wetsvoorstellen en een resolutie op tafel:

1. Wetsvoorstel euthanasie bij minderjarigen

In de huidige wetgeving worden minderjarigen volledig door de wet uitgesloten, met uitzondering van de ontvoogde minderjarigen. Dit laatste is op zich al absurd en toont meteen ook aan waarom een uitbreiding van de wet wenselijk is. Op ondragelijk lijden en ongeneselijke ziektes staat helaas geen leeftijd. De artificiële grens die nu wordt getrokken op 18 levensjaren staat in schril contrast met een onomkeerbare en pijnlijke gezondheidstoestand, die geen rekening houdt met leeftijden.

Met dit wetsvoorstel wil Open Vld ook euthanasie mogelijk maken bij minderjarigen. Bij dergelijke beslissingen mag de rol van de ouders niet onderschat worden. Ondanks hun onmiskenbare rol in het begeleidingsproces, moet de vraag om euthanasie steeds van de minderjarige zelf komen. Indien de minderjarige jonger dan 16 jaar is, hebben de ouders een medebeslissingsrecht, indien de patiënt ouder dan 16 is, hebben ze enkel een raadgevend adviesrecht.

2. Wetsvoorstel wilsbeschikking

In een wilsbeschikking kan iedere burger laten opnemen onder welke omstandigheden en in welke toestand hij of zij euthanasie wil krijgen. Aan dit uitgangsprincipe wordt niet geraakt, wel aan de duurtijd van een wilsbeschikking. De huidige wettelijke duurtijd bedraagt vijf jaar. In de praktijk kunnen als gevolg van de tijdsvereiste van vijf jaar onrechtvaardige situaties ontstaan waarbij iemand die een wilsverklaring heeft geschreven en bevestigd, net buiten de termijn van vijf jaar buiten bewustzijn valt, waardoor zijn verklaring ongeldig wordt.

Daarom wordt eerst en vooral voorgesteld dat een wilsverklaring een onbeperkte geldigheidsduur kent, maar te allen tijde kan herroepen en/of gewijzigd worden. Dit kan vergeleken worden met de geldigheidsduur van een testament.

Een tweede probleem met de wilsverklaring stelt zich op het vlak van de “bewustzijnstoestand”. De huidige wet spreekt in artikel 4, § 1, eerste lid, tweede streepje, en in § 2, eerste lid, tweede streepje, over « — hij niet meer bij bewustzijn is ». Op die manier is de wilsverklaring voor een groot deel een lege doos, want algemeen wordt aangenomen dat de betrokkene zich, volgens deze voorwaarde, moet bevinden in een comateuze toestand. Een groot deel van de mensen die een wilsverklaring hebben opgesteld, kunnen evenwel geen gebruik maken van die bepaling: ze zijn zich niet meer bewust, maar bevinden zich toch niet in een comateuze toestand en kunnen noch gebruik maken van artikel 3 van de euthanasiewet, noch van artikel 4.

Om hieraan een oplossing te bieden zal de wet voortaan spreken van “personen die zich in een persisterende vegetatieve toestand bevinden”.

3. Wetsvoorstel hulp bij zelfeuthanasie

Uit de artsenpraktijk blijkt dat ook de vraag naar zelfeuthanasie juridisch moet ingekaderd worden. Dit kan het best binnen de euthanasiewetgeving, immers het betreft patiënten die aan de voorwaarden voldoen om euthanasie aan te vragen maar liever zelf de daad stellen, zij het weliswaar onder begeleiding van een arts, die over alle zorgvuldigheidscriteria waakt en de patiënt bovendien de letale middelen ter beschikking stelt en de patiënt bijstaat tot de dood is ingetreden. Het grote verschil met euthanasie zit hem dus in het feit dat de patiënt hier zelf de daad volbrengt, niet de arts.

4. Wetsvoorstel doorverwijsplicht

In de huidige wetgeving staat duidelijk gestipuleerd in artikel 14 dat “geen arts gedwongen kan worden euthanasie toe te passen”. Het moet duidelijk zijn dat dit wetsvoorstel niet de bedoeling heeft hieraan ook maar iets te veranderen. Het valt immers perfect te begrijpen dat een arts omwille van levensbeschouwelijke of andere persoonlijke overtuigingen zelf verkiest geen euthanasie toe te passen bij zijn of haar patiënten. Die keuze moet gerespecteerd worden. Dit wat betreft de kant van de arts. Maar wat de patiënt betreft moet dan wel gesteld worden dat zijn of haar verzoek niet ingewilligd wordt, ook al bevindt de patiënt zich zowel juridisch als medisch in een situatie waarbij zijn of haar vraag om euthanasie gerechtvaardigd is.

Daarom voorziet het wetsvoorstel in een doorverwijsplicht naar een collega-arts, die wel bereid is om euthanasie uit te voeren binnen het wettelijk kader en vanuit een medisch verantwoord dossier.

Dit probleem stelt zich niet alleen bij artsen op individuele basis. De realiteit leert dat bepaalde ziekenhuizen verkiezen binnen hun muren geen euthanasie uit te voeren. Dit houdt een ontkenning in van het recht waarop een patiënt zich in een pijnlijke, onomkeerbare situatie zou kunnen beroepen.

Om een zo groot mogelijke waarborg te bieden, wil het wetsvoorstel ook enkele toevoegingen aanbrengen in het statuut van de eerste en/of tweede te raadplegen arts. De reeds bestaande voorwaarde van onafhankelijkheid blijft zonder meer behouden. Dit wordt nog aangevuld met de voorwaarde dat deze te raadplegen arts extern moet zijn ten aanzien van de geneeskundige instelling. Van de te raadplegen arts wordt vereist de patiënt bij te staan met juridische, geneeskundige en psychische hulp omtrent zijn of haar euthanasieaanvraag en hiertoe dient hij de nodige opleidingen genoten te hebben.

5. Resolutie palliatieve zorg

Omdat het belang van palliatieve zorg in dit debat niet verloren mag gaan, integendeel, willen we met deze resolutie aandacht vragen aan enkele huidige knelpunten omtrent deze intensieve en waardevolle vorm van stervensbegeleiding. Zo wordt er opgeroepen om initiatieven te nemen rond het nog beter bekend maken van palliatieve zorgen, de thuisgezondheidszorg in dit kader beter te ondersteunen alsook binnen de RVT’s en dagcentra.

Reageer:
  1. Naam*
  2. E-mail*
  3. Bericht*